Make your own free website on Tripod.com
Levend dood
Levend dood

„Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt
dat gij leeft, en gij zijt dood... want Ik heb
uw werken niet vol gevonden voor God”,
Openb. 3:1b,2b

De zeven brieven in de hoofdstukken 2 en 3 van het boek Openbaring bevatten kerkvisitatieverslagen van de Heere Jezus Christus. Hij bezoekt de kerken en onderzoekt het geestelijk en kerkelijk leven. Het wordt gewogen om te zien welk resultaat de arbeid van de door Hem uitgezonden dienstknechten heeft. In de brief aan Efeze worden zij ‘de zeven sterren’ genoemd; ze zijn in Christus’ hand, door Hem uitgezonden met de blijde boodschap, die gebracht wordt met bevel van geloof en bekering. Híer, in de brief aan Sardes, presenteert de Christus Zich als Degene, Die de zeven Geesten Gods èn de zeven sterren in Zijn hand heeft.
Deze toevoeging heeft ongetwijfeld te maken met de situatie in Sardes. In Efeze was het begin goed geweest. De prediking van het Evangelie had vruchten van geloof en bekering. De ‘sterren’ zijn trouw geweest in hun dienst. Maar de gemeenteleden gleden af. Niet, dat ze de Heere vaarwel hadden gezegd, integendeel! Maar Hij nam niet meer de eerste en voornaamste plaats in hun kerkelijk en persoonlijk leven in. De eerste liefde was verlaten; het vuur geblust. Er kwam een ingezonken kerkelijk leven. In de persoonlijke verhouding tot de Heere was er nog wel het gebed, maar het werd gaandeweg een gebed dat een verlanglijstje was. Een zeer ernstige zaak! Daarom komt Christus nu met de zeven sterren in Zijn rechterhand. Voortgaande prediking door Zijn dienstknechten moet de gemeente weer bij de gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere en de Heere van het Woord terugbrengen en daarbij bewaren.
De situatie in Sardes ziet er, oppervlakkig beschouwd, veel beter uit. Je ziet al die keurige kerkmensen in deze gemeente in hun trouwe kerkgang en ijveren voor de dienst van God. Ze weten op de juiste tijd het juiste woord te spreken. Het is een taal, waarvan de mensen zeggen dat het ‘vroom’ is en getuigt van een gezond geestelijk leven. Als je hen hoort, krijg je de indruk dat zij in een innige gemeenschap met de Heere leven. Het is ‘de Heere dìt’ en ‘de Heere dàt’. Hoe kunnen ze in deze gemeente opspringen als iets niet ‘precies volgens het boekje’ wordt gezegd. Hier worden geen dwalingen bedoeld, maar iets dat ze zó nog nooit hebben gehoord of beleefd. Daar weten ze een oordeel over uit te spreken, want ze staan pal voor de eer van de Heere, die -zo menen zij- op deze wijze wordt aangetast. Aandoenlijk om te horen. Iets om jaloers op te worden, tòch? Er gaat dan ook een loffelijk getuigenis van deze gemeente uit. Dat blijkt ook wel in de omgeving. Zoals bij de zusterkerken. Als je nu echt een levende gemeente wilt zien, dan moet je naar Sardes gaan. Dáár is pas echt geestelijk leven! Echt een lévende kerk, hoor! Men kende toen nog geen kerkshoppen; allicht zouden er dan van de andere kerken men-sen in Sardes zijn gaan ‘buurten’! Met de mogelijkheid dat ze tot dezelfde conclusie zouden komen als de Heere Jezus in ons tekstvers.
Als er vandaag in de kerken kerkvisitatie wordt gedaan (doorgaans door twee predikanten uit de classis), wordt er goed doorgevraagd over het gehalte van het geestelijke leven. Dat wordt op een kerkenraadsvergadering met de kerkvisitatoren gedaan. Óók de gemeente mag komen met vragen en/of opmerkingen aan de visitatoren. Maar ja, je hangt als kerk toch niet graag de vuile was buiten! Dat doen we op huisbezoek toch ook niet wat ons persoonlijk geloofsleven betreft? In het geval van Sardes zouden de kerkvisitatoren ongetwijfeld van kerkenraad èn gemeente een loffelijk getuigenis mogen horen over het leven van de gemeente.
Tja, mènsen kunnen we ook in de kerk bedotten, maar níet de Koning van de kerk! Als Hij kerkvisitatie doet, kijkt Hij dwars door ons heen. Niet alleen door onze woorden, onze daden, maar ook door onze gedachten! Nu blijkt dat er in Sardes alleen maar een laag vernis aanwezig is: ze hebben de naam van lévende gemeente. Maar dat is alleen de buitenkant. Als je diep in het hart van de gemeente(leden) kijkt, vind je er de dood in de pot! ‘En gij zijt dóód’, zegt de Heere Jezus. Met jùllie gemeenteleven komt Mijn koninkrijk niet naderbij!
Maar er werd toch veel gedáán in de kerk van Sardes? De gemeenteleden lieten alles maar niet op z’n beloop! Zegt de Christus hier niet: ‘Ik wéét u werken’. Dat betekent maar niet dat Hij ervan gehóórd heeft, maar dat Hij ze geproefd en beproefd heeft. Er was volop werk aan de winkel! We zouden kunnen zeggen dat er allerlei activiteiten ontplooid werden. Daar kan een levensgroot gevaar in schuilen: ongeloof kan goed verstopt worden achter allerlei activiteit! Daarom gáát het echter niet in de kerk. Het Wóórd dient centraal te staan: gehóórd en gehoorzáámd te worden. Agnes Amelink schreef in Wapenveld: „waar het primaat van het Woord verdwijnt, kunnen we de tent wel sluiten”. Al zijn er nog zoveel activiteiten en is er veel uiterlijke vorm van leven. Als dat de geestelijke armoede van de kerk van Sardes moet verdoezelen, blijft inderdaad alléén nog maar de dood over! De geestelijke dood.
Christus heeft al die activiteiten dus wèl gezien. Hij weet hun werken. En dan volgt in het tweede gedeelte van onze tekst: ‘Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God’. Dat ìs wat! Men doet in Sardes zóveel voor de Heere en dàn dit te moeten horen. Christus zegt immers niet dat Hij een aantal schoonheidsfouten heeft ontdekt, maar dat geen van hun werken voor God konden bestáán. Alle schijn van leven in Sardes wordt door de Heere afgewezen. Christus zegt als het ware: ‘Ik kan er niet mee aankomen bij Mijn Vader’. Omdat geen van die werken vruchten van de dankbaarheid zijn. Het zou op zich best mogelijk zijn (al dienen we te waken voor inlegkunde!) dat men in Sardes bleef steken in de ellende of in de verlossing, en men zodoende hard bezig was (en zich daarvoor inzette) de Heere iets ter rechtvaardiging te kunnen aanbieden.
In de woorden, die tussen de beide tekstgedeelten staan, klinkt nog een oproep tot behoud van de kerk van Sardes: weest waakzaam en versterk het overige, dat sterven zou. Die laatste woorden luiden in de Afrikaanse vertaling: ‘wat besig is om dood te loop’. Je ziet het voor je: een stervende uit wie het leven bezig is zich terug te trekken, totdat de laatste snik volgt. Dàt gebeurt in werkelijkheid in die zo levend lijkende kerk van Sardes: het is bezig dood te lopen.
Wat zou het resultaat zijn als Christus vandaag in ònze gemeente (en bij u persoonlijk) kerkvisitatie zou komen doen? Zijn er wel werken? Staan we bekend als een levende gemeente, als levende christenen? Of geldt dat ook van onze werken géén vol gevonden is voor God. Dat kan zijn omdat we weten dat zondige mensen niets volmaakts kunnen doen en we daarom gemakshalve maar niets doen. Dat kan ook zijn omdat onze vrome woorden of onze activiteiten in wezen onze geestelijke dood, onze geestelijke doodheid verdoezelen. Omdat we niet weten wat het is met een levende band, beter nog: een levensband aan Christus te zijn ver-bonden. Uit Hèm en Hem alléén komen onze levenssappen, zal het goed met ons zijn. En dan zijn er volop vruchten van dankbaarheid. O ja, allen vol tekortkomingen, maar om Christus’ wil vòl bevonden voor God.
Het is zaak onszelf hierover oprecht te bevragen. We leven in een tijd, waarin je mag geloven wat je wil en mag spreken over je geloof binnen bepaalde kaders, zodat anderen niet gekwetst worden. Maar ook in een tijd, waarin het niet passend is om te zeggen dat wie niet in Christus ge-vonden wordt, de eeuwige dood tegemoet gaat! Maar óók dat wie zijn vertrouwen op de Heere Jezus stelt, nimmer verloren gaat. En tòch is dàt de taal van het Woord, dat het primaat in kerk en wereld moet houden, en waar de gemeente en ieder gemeentelid mee bezig dient te zijn.
Verderop in de brief aan Sardes wordt geschreven over besmeurde klederen. Zó ziet de gemeente er in Gods ogen uit. Zo ziet ook de ware gelovige eruit. Wie tot geloof mocht komen, is geen haar beter dan een ander, al is er de vleselijke neiging tot zelfverheffing. Wie volhardt, zo luidt de belofte, dat wil zeggen, wie tot de eindstreep met Christus wandelt, die wordt bekleed met witte klederen, zoals de Hogepriester op de Grote Verzoendag droeg: gewassen in het bloed van het lam/Lam. Maar er wordt nog iets bij beloofd: de naam van de overwinnaar zal door de Heere Jezus beleden worden voor Zijn Vader en Zijn engelen. Dan betekent dat de overwinning bestaat in het belijden van de Naam van Christus voor de mensen: oprecht en eerlijk, klip en klaar, zonder uiterlijk vertoon, zonder het Woord naar de tweede, derde of laatste plaats in ons persoonlijk en gemeentelijk leven terug te dringen. In dat laatste geval is de gemeente en ben je zelf levend dood. Wie overwint, wordt voor eeuwig van dood levend gemaakt. Overwinnen doe je niet in eigen kracht, maar in de kracht van Gods Geest. Dit is immers de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof. En daarom: wordt dat bij ú gevonden?

(c) 2002 Dr M. Kuiper