Make your own free website on Tripod.com
Verlaten liefde
Verlaten liefde

„Maar Ik heb tegen u,
dat gij uw eerste liefde hebt verlaten”,
Openb. 2:4

Het eerste kerkvisitatieverslag van de Koning der kerk gaat over de kerk van Efeze. Uit de brief van de apostel Paulus en ook uit het boek Handelingen weten we dat deze kerk wéét wat genade is. Paulus' brief wordt wel eens `de kerkbrief' genoemd. Daarin komen belangrijke leerstukken aan de orde, zoals de uitverkiezing, de verbonden, Christus als Hoofd van de kerk. Men wist in Efeze dus wel hoe het in de kerk van Christus toe diende te gaan.
Zó stelt de Kerkvisitator Jezus Christus Zich ook in Openb. 2 voor als Hoofd van Zijn christelijke kerk. Immers, Hij noemt Zich degene, die de zeven sterren in Zijn rechterhand heeft. Het gaat hier om de predikanten van de zeven gemeenten, die in Openb. 2 en 3 worden bezocht. Deze predikanten zijn geen loopjongens van de gemeente, zoals er in het brede kerkelijke leven wel veel van wordt gemaakt, maar gezondenen door Christus. Hun mandaat ontvangen zij van Hem en aan Hem zijn zij ook verantwoording schuldig.
Christus noemt Zich méér. Het is níet zo dat de kerken zijn `overgeleverd' aan de grillen van de dienaren, die Hij hen geeft. Ook dàt komt in het kerkelijke leven meermalen voor! Maar Christus wandelt. Waar? Temidden van de zeven kandelaren, de zeven gemeenten. Veilige wetenschap is dat, te weten dat Christus Zèlf present is in Zijn gemeenten. Dat geldt zowel naar de dienaren toe, als ook naar de individuele gemeenteleden toe. De dienaren zullen steeds hebben te beseffen dat de Koning der kerk nauwgezet op Zijn kerken past door Zijn wandelende tegenwoordigheid. Maar ook de gemeenteleden zullen steeds opnieuw onder het besef komen dat haar Hoofd meekijkt als ze luistert naar de Woordbediening, als ze haar gemeentezijn in de wereld beleeft, als ze de gemeenschap der heiligen beoefenen.
Er zit een geweldig spanningsveld tussen de dienaren en de gemeenten: dat is de Koning der kerk Zèlf. Het gáát immers om Hèm, die als haar Hoofd Zijn bruid gereedmaakt voor de grote Bruiloftsdag?! Zijn we ons als gemeente daar wel altijd van bewust? Dit wordt niet aan de kerk van Efeze voorgehouden om haar in een keurslijf te doen gaan; denk er om dat Christus alles ziet! Nee, het gaat om de liefde van de kerk voor haar hemelse Bruidegom.
Vanuit dit perspectief is het te verstaan dat de Christus de werken en arbeid van Efeze tot in de kleinste finesses kent. Er wordt door Christus Zèlf een loffelijk getuigenis van deze kerk gegeven. Er is volharding; er wordt gewerkt door de gemeenteleden, ook in gemeentelijk werk. Ze kunnen in de kerk van Efeze het niet hebben dat er kwaad onder de broeders en zusters gestookt wordt. De gemeenteleden zijn ook goed onderlegd in de leer (is dat een wonder als je de brief van Paulus aan de Efezen leest?). Dat stelt hen ook in staat om te onderscheiden de dingen, waarop het aan komt. De pseudoapostelen worden ontmaskerd. De gemeenteleden van Efeze kijken dwars door de vrome praat van deze lieden heen. Ze kennen het verschil met de Waarheid, waarin zij geworteld zijn. Bovendien is er in de gemeente een dragen en geduld wanneer het niet meezit, ook als gemeente niet, en als de tegenwerking van buiten groter wordt. Want die gemeenteleden hebben gewerkt in Christus' Naam; ze zijn Zijn getuigen in de directe omgeving. Al is er dan niet zoveel vrucht als ze wel wensten, ze bleven doorgaan, omdat ze leefden vanuit het heil in Christus.
Het kàn toch eigenlijk niet beter in een gemeente? Wat mag je dankbaar zijn als je tot zó'n actieve gemeente mag behoren, waar de dienst van de Heere hoog in het vaandel staat, waar de kerk haar apostolaire taak verstaat, en waar gemeenteleden zonder moeite of afzeggingen geactiveerd worden! Degelijke Schriftkennis wordt er gevonden; de `catechismus' kennen ze uit hun hoofd; ze zijn een degelijke gemeente.
Maar... dat kan juist heel funest zijn in de kerk. Degelijkheid kan ook een stuk formalisme worden, waar al het leven uit is weggeëbd. De dingen worden gedaan omdat men dat van elkaar verwacht en beseft dat Christus tussen de kandelaren door gaat. De liefde schijnt te zijn doodgebloed. Dat wil niet zeggen dat er in Efeze geen liefde meer is. Bepaald niet. De klem valt op `eerste' als Christus zegt dat Hij tegen deze gemeente heeft dat zij haar eerste liefde heeft verlaten!
Wat bedoelt de Christus hiermee? Neem even het voorbeeld van een jongen en een meisje, die verliefd op elkaar worden, steeds meer naar elkaar toegroeien en uiteindelijk in het huwelijk treden als een dolgelukkig paar. Wat zijn ze dol op elkaar! Kijk, dàt is nu de eerste liefde. Zó is het ook in het geloofsleven. Als je in de weg van bekering tot het geloof mag komen dat Christus voor al jouw zonden volkomen heeft voldaan, en dat je door Hem vrij tot God mag gaan, is er die overstelpende liefde als antwoord op die onbevattelijke liefde van Gods kant. Liefde is dus steeds: antwoorden. Dat doe je dan ook in je persoonlijke omgang met God, níet omdat het zo móet, maar omdat jij dat zo graag wilt! Je kunt eigenlijk niet anders bij zoveel genade, die je mag ontvangen.
Maar zoals er in dat sprookjeshuwelijk van die jongelui de klad kan komen en je de ander naast je verdraagt, kan het ook gaan in het geloofsleven. Uitwendig is er aan dat huwelijk niet veel veranderd, maar beiden voelen: het is niet meer zoals het was. Zo kan je persoonlijk en als gemeente blijven zoals je dat gewend bent: zuiver in de leer, goed onderlegd, actief en mededeelzaam. Maar het is toch een soort moeten geworden. Natuurlijk gaat het in de kerk om Christus, maar het is meer het verstand dat dit zegt dan dat het hart dit ervaart. In Efeze waren ze zich er waarschijnlijk niet eens van bewust, want de zaken marcheerden toch voortreffelijk?!
Als de Christus dit zegt, slaat dat in als een bom! De gemeente en ieder lid wordt aan zichzelf ontdekt. De ijver voor het huis van God is niet recht. Ze staat uit het lood van de eerste liefde voor Christus en Zijn gemeente. Dat kan Christus niet verdragen, omdat daarmee Zijn Naam niet grootgemaakt wordt. Het gaat dan ook al snel over mijn kerk en mijn dominee en mijn wijk. In wezen staan we dan Christus naar Zijn rechtmatig verdiende Koningschap.
Daarom spreekt Hij de kerk van Efeze ook zo scherp aan. Hij zegt immers niet alleen dat Hij iets tegen hen heeft, maar óók dat er zelfonderzoek en bekering moet komen. Anders gaat het totaal mis. Dan neemt Christus de kandelaar van Efeze wèg. Wandelt Hij niet meer langs de kandelaar van Efeze in de hemel, omdat deze er niet meer is!
Wat is de Koning op Zijn eer gesteld. Evenmin als Zijn Vader deelt Hij deze met geen ander. Niet met onze kerkelijke structuren, met onze degelijkheid, met onze behoudendheid. Hij alléén wil gediend worden. Heeft Hij er niet voor betaald?
We zouden kunnen zeggen dat alles wat we in de kerk doen (of: laten) geen eeuwigheidswaarde heeft als het niet opborrelt uit de heldere fontein van de liefde van Christus, die wederliefde wekt. Als de kerk van Efeze zó naar zichzelf ziet, wat is er dan een zelfonderzoek nodig! En een terugkeer naar die eerste liefde.
Maar ook u en ik: als we vanuit dit licht zien op onze (on)betrokkenheid bij onze gemeente, wat hebben we het dan nodig dat we aan onszelf ontdekt worden en uitgedreven naar de liefde van Christus, waartoe we in dat ene lichaam van de kerk zijn geroepen. Wat is er dan veel onnodig tekort.
Nee, nu niet met het bekende smoesje een dooddoener poneren: ach, we maken er niets van! Als je dat ècht en grondig uit je hart zegt, dan wil je die eerste liefde weer ervaren. Bekering is nodig. Nee, niet weer opnieuw Christus en al Zijn weldaden je toeeigenen, maar een opnieuw zien uit welke grote dood je verlost bent. En hoe je het niet klaart zonder Christus in je leven. Dagelijkse bekering is telkens weer drinken uit de bron en dus een weten dat je van dood levend gemaakt bent. En dus een opnieuw smaken van die eerste liefde. Zullen we ons deze woorden van de Christus aantrekken en daarvolgens wandelen. Doe dat dan in gebed.

©  januari 2003 Dr. M. Kuiper