Make your own free website on Tripod.com
Belijden of verloochenen?

Belijden of verloochenen?

„Een iegelijk dan die Mij belijden zal voor de mensen,
dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen,
dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is”,
Mattheüs 10:32,33

De tekst komt uit een hoofdstuk, waarin de Heere Jezus de twaalf discipelen uitstuurt. Dat brengt nogal wat met zich mee. Het eerste van de drie gedeelten van dit hoofdstuk eindigt met de opmerking van Christus dat Hij de Zijnen uitzendt als schapen temidden van de wolven. Ook gewaarschuwde discipelen tellen voor twee! Ze krijgen dan ook een advies mee: voorzichtig als slangen en oprecht als duiven! Anders gaan ze er onder door! Onze tekst vormt de afsluiting van het tweede gedeelte, waarin tot de discipelen wordt gezegd, dat ze voor de groten der aarde geleid worden en door de leiders van van de synagoge gegeseld zullen worden. In dat gedeelte worden de discipelen ook bemoedigd: ze hoeven zich geen zorgen te maken over wat ze dan zullen zeggen, want dat zal hun dan gegeven worden: het is de Geest van hun Vader, Die door hen spreekt. In dìt kader staat de tekst van onze meditatie als waarschuwing. Daarna volgt het derde gedeelte, waarin het gaat over de verdeeldheid, die de Heere Jezus op deze aarde brengt. Het gaat om het liefhebben van Hem boven alles. Dat kàn gevolgen hebben voor de familieverhoudingen. Er worden àndere banden gesmeed: die u ontvangt, ontvangt Mij. Als laatste vers wordt gewezen op die beker koud water, die aan een van de „kleinen” gegeven wordt, als teken van de zorg voor elkaar, als blijk van de gemeenschap der heiligen.
We zouden kunnen zeggen dat het middelste gedeelte, waarin onze tekst voorkomt, het centrum vormt van dit hoofdstuk. Híer gaat het immers om wat we met de Heere Jezus en ons geloof in Hem doen. Zijn wij binnenvetters of doorgevers? Binnenvetters, die het fijn vinden zich verlost te mogen weten van de zondeschuld, maar die hun mond tegen anderen gesloten houdt. Dàt is ten diepste een verloochenen van Christus. Doorgevers zijn mensen, die zó blij zijn dat ze verlost zijn, dat zij er niet over kunnen zwijgen en het van de daken af zouden willen schreeuwen; ze spreken erover met een ieder die op hun weg komt. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond immers van over?!
In onze tekst komt tweemaal het woord belijden voor. De eerste keer is het de verloste mens, die Jezus belijdt voor de mensen. De tweede keer is het echter de Heere Jezus, die òns belijdt voor Zijn hemelse Vader. Hoe moeten we dat nu verstaan? Wat is er nu helemaal van mij te belijden?
Het wordt nog moeilijker als we naar het griekse woord kijken. Er staat in beide gevallen homologein. Dat is een samenstelling van twee woorden. Het eerste deel, homo, heeft niets te maken met bv. het Latijnse homo sapiens, de term uit de evolutieleer, die de mens aanduidt. Betekent homo in het Latijn: mens, in het Grieks is de betekenis: hetzelfde. Het tweede deel, logein, is de werkwoordvorm van het zelfstandige naamwoord logos. Deze term kennen we van een van de schepen van Operatie Mobilisatie, maar óók uit het Evangelie naar Johannes: Jezus is het Woord dat vlees geworden is. De werkwoordvorm betekent dus: zeggen. Lezen we ze weer samen, dan betekent homologein, belijden, dus: hetzelfde zeggen.
Kijken we nu weer naar de tekst. Als de discipelen voor de mensen hetzelfde zeggen van en als Jezus, dan zal Hij dat ook doen van hen, die Hem belijden. Het gaat er dus om hetzelfde te zeggen als wat de Heere Jezus Zijn discipelen heeft voorgezegd. Ze mogen dus belijden wat ze in het onderricht van Jezus hebben geleerd en nog zullen leren. Breder: ze mogen de Schrift naspreken, die van Christus spreekt.
En kijk, dàt gaat Jezus dan ook over de discipelen aan Zijn Vader belijden; hij zegt hetzelfde als wij tegen de mensen zeggen, tegen Zijn Vader. Zo in de geest van: Kijk, Vader, zó doet Petrus het en zó Johannes. Zó gaat Mijn werk voort en kan Uw Rijk komen. De mensen mogen het horen, wat Ik tot hen heb gezegd. Mijn discipelen zijn doorgevers van de blijde boodschap. Ze weten te delen, straks zelfs wereldwijd!
Dat doen ze niet omdat ze het zo goed weten, maar omdat ze niet bezorgd zijn over wat ze moeten spreken: Uw Geest, Vader, legt ze de woorden in de mond! Ze beseffen wat ze hebben mogen ontvangen; zó ontzettend mooi en rijk en totaal onverdiend. Dat kùnnen ze ook niet voor zichzelf houden. Ook al kost hen dan misschien het leven!
Daarom hoort vers 33 hier ook bij. Hier wordt tweemaal het woord verloochenen gebruikt. We hebben hier niet te denken aan een verloochening, zoals Simon Petrus dat deed: ontkennen dat hij Christus kent. Dat was in een ogenblik van aanvechting, waarover hij later bitter weende. Nee, het in het Grieks gebruikte woord hant samen met van de hand wijzen. Het gaat hier dus om mensen als de Joden. Christus komt tot het Zijne en de Zijnen hebben hem niet aangenomen, dus: afgewezen. Dat is iets dat veel dieper ingrijpt dan wat Petrus deed. Het gaat dus véél dieper dan een „niet belijden”! We hebben hier eerder aan Judas te denken, die wèl de Heiland volgde, maar toen het erop aan kwam en hij Jezus voor de mensen moest belijden, weer hij Hem van de hand, verloochende hij Hem.
We mogen ons echter niet blind staren op Judas. Wie voor Jezus niet uit wenst te komen, omdat hij bang is voor bonje, wijst Jezus eveneens af; hij verloochent Hem. Zo iemand mag dan wel denken dat het goed is van je zonden verlost te zijn, maar als dat géén effect in je omgeving sorteert en je je naaste met een gerust (!) hart naar de hel laat gaan, dan heb je van de liefde van Christus en van Zijn Vader niets begrepen.
Heel concreet: als je de kerk beschouwt als vergaderplaats, waar je met z’n allen zondag bij elkaar komt om Christus te belijden voor de mensen in de kerk, en je hebt je gaven geven, en voor de rest redt de kerk zich maar en zorgen ‘ze’ maar dat alles goed reilt en zeilt, heb je van het evangelie niets begrepen! Het gaat immers niet om de mensen in de kerk, voor wie je hetzelfde zegt als wat Christus zegt. Zij weten dat wel! En sámen met hen zou u zich in moeten zetten voor de activiteiten van de kerk!
Het gaat echter om de mensen buiten de kerk. Zij, die nog nooit van het evangelie gehoord hebben, of ervan zijn afgedwaald. Dan kan je niet volstaan met een „pinkstercollecte voor de zending”! Dan moet je Gods Naam óók belijden voor die mensen. Door er zendingswerk te gaan doen? Op zich zou dat best eens goed zijn als wij uit onze gezapige welvaart in beweging zouden komen. Maar ieder begrijpt dat dàt niet kan! Màg een beetje meer meeleven dan we nu openbaren misschien?!
Belijden of verloochenen. Dáár kwam het met de paasdagen op aan. Daar gaat het over bij het komende Avondmaal, als de Heere ons dat geeft. Daarom gaat het ook op Hemelvaart en Pinksteren. Maar het komt er ook elke dag van ons leven op aan! Bent u een doorgeefchristen òf een diepvrieschristen. De laatsten kènnen het grote werk van Christus echt niet, al menen ze hoe hard van wèl! Want wie zó grote liefde ontvangen heeft, kàn er niet meer over zwijgen. Hij wenst de ander hetzelfde geluk en dezelfde zaligheid, die hij ontvangen heeft!
Hij zegt het de Psalmist na:
          Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
          gij, die den Heer van harte vreest,
          hoort, wat mij God deed ondervinden;
          wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Zegt ú dat mee?

© ds M. Kuiper