Make your own free website on Tripod.com
De taal van het geloof
De taal van het geloof
Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben,
Heere, mijn Sterkte”,
Psalm 18:2
Men komt het vandaag in het pastoraat zo vaak tegen dat mensen het zich afvragen of ze wel ècht geloven. Dat zijn géén mensen, die zich maar af en toe laten zien in de kerk, die met deze vraag worstelen. Het zijn doorgaans trouwe kerkgangers en meelevende gemeenteleden, die ook ernst maken met de dienst van de Heere. Het is niet maar plichtmatig voor hen als ze deelnemen aan het gemeentelijk leven in al zijn aspecten. Je zou het integendeel „hun lust en hun leven” kunnen noemen. Ze gaan er in op en doen echt van harte mee. Ze dragen het wel en wee van de gemeente waartoe ze behoren op het hart. Ze dragen de ambtsdragers op in hun gebeden. Ze lezen geregeld de Heilige Schrift en overdenken deze ook. Ze moeten niets hebben van allerlei moderne theologie, die de Schrift geweld aandoet. Je zou zeggen: bestond de gehéle gemeente maar uit zulke meelevende, gelovige mensen.
En tòch zit juist in het hart van deze mensen die twijfel. Nee, het heeft er niets mee te maken dat ze zouden twijfelen aan het Borgwerk van de Heere Jezus, òf aan de aanvaarding van de Heere God van het offer van de Heiland als „volkómen verzoening van al onze zonden”. Ze geloven ook best dat veel van hun gemeenteleden mogen delen in het verzoeningswerk van de Heere Jezus, en dat hun reis niet alleen besproken, maar hun aankomst ook gewis is. Dat is voor deze mensen, voorzover een mens dat kan bezien, buiten kijf!
En tòch ligt híer de wortel van hun zorgen: er ìs verlossing; Jezus ìs gestorven voor de zonden van mensen; Hij ìs opgestaan uit de doden en naar de hemel opgevaren als „bewijs van echtheid” en zekerheid van de aanvaarding van deze losprijs door Zijn Vader. Maar de vraag blijft: wie zegt dat dit ook voor hèn is? Ze wìllen zo zielsgraag, maar ze durven niet, omdat ze zichzelf zo goed kennen en weten van „die vuile poel van wanbedrijven”, die ook David kende (Psalm 51:5). Deze bedoelde daarmee echt niet alleen zijn zonde met Bathséba, maar óók die zonde, die hij als erfenis bij zijn geboorte heeft meegekregen.
Je mag in zo’n geval als pastor uiteraard wijzen op het teken en zegel van de doop, dat aan het voorhoofd van zo iemand onuitwisbaar is aangebracht en dat bij twijfelen dááraan God tot een leugenaar gemaakt wordt. En je moet er ook op wijzen, dat in de prediking Christus elke zondag weer in het gewaad van het Woord komt en wijst op Zichzelf als het Lam dat staat als geslacht. Dat dit niet alleen aan ànderen, maar ook aan de broeder of zuster, die zich afvraagt of hij of zij wel echt gelooft, wordt aangezegd als een heerlijke belofte, die gepaard gaat met het bevel tot bekering (Markus 1:13). In sommige gevallen mag dit leiden tot verzekerdheid, maar ik ben bevreesd, dat dit in de meeste gevallen niet veel uithaalt. Zo iemand vindt het een gruwel als je zegt, dat hij God tot leugenaar maakt, want dat vindt hij wel zoiets verschrikkelijks, waaraan hij zich beslist niet schuldig wil maken!
De kèrn van het probleem van deze broeders en zusters ligt in het antwoord op vraag 21 van de Catechismus („wat is een waar geloof?”). Daarin kunnen zij een heel eind meekomen. Het is óók voor hen „niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in het (!) hart werkt, dat ... vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen omwille van de verdienste van Christus”. Zó kunnen ze het hartelijk onderschrijven. Maar zo stáát het er niet! Ik heb één woord veranderd en een paar anderen eruit gehaald. En dáár ligt nu juist het probleem van deze twijfelaars! Er staat namelijk dat de Heilige Geest door het Evangelie in míjn hart werkt. En wàt werkt Hij dan in mijn hart? „Dat niet alleen aan anderen, maar óók aan mij vergeving enz. geschonken is". Het gaat om dat héél persoonlijke.
Als we dáárop een antwoord willen krijgen, moeten we in de Psalmen zijn. Daarin vinden we immers alle situaties, „gestalten”, zoals men vroeger zei, waarin een kind van God kan komen te verkeren. De „man naar Gods hart” heeft heel teer gesproken over zijn geestelijk leven. Hierboven wees ik al op Psalm 51. Maar boven deze meditatie staat een àndere tekst: Psalm 18:2.
Aan dit tweede vers gaat vooraf een inleiding, die de omstandigheden beschrijft, waarin David dit lied heeft gezongen. Hij is gered uit de handen van al zijn vijanden èn uit de hand van Saul. We vinden dit lied ook terug in 2 Samuël 22. In het voorgaande hoofdstuk wordt beschreven hoe Saul en Jonathan om het leven kwamen èn welke overwinningen David behaalde op de filistijnen. Het is een làng lied geworden. Niet alleen omdat David de Heere zoveel te zeggen heeft, maar vooral omdat zijn hart zó vol is van zijn wederliefde voor de Heere, dat zijn mond er van overloopt. Dat de Heere uitgerekend hèm, een man met véél zwarte bladzijden in zijn levensboek, tot een Sterkte wil zijn, tot een eeuwige Burcht, het is voor David een onbegrijpelijk wonder!
Nu is er aan een zekere periode in zijn leven tot een einde gekomen. Een tijd van voortvluchtigheid en spanning, van onzekerheid en onveiligheid. We lezen het wel in àndere Psalmen dat David de Heere in die moeitevolle tijd niet vergat, en dat hij zèlf ook steeds weer om vergeving moet vragen en uit vergeving mag leven. Maar tòch was er zoveel benauwdheid voor hem: ik werd benauwd van alle zijden en riep de Heer ootmoedig aan. Hij hield zich vast aan zijn God en blééf op Hem vertrouwen. We maken dan ook wel eens de kardinale fout te denken dat David zo’n groot geloof had. Dat is helemaal niet zo; we lezen dat in andere Psalmen duidelijk genoeg!
Heeft u zich wel eens afgevraagd hóe David tot geloof is gekomen? Is het niet opmerkelijk dat de Bijbel (en dus ook David) daarover zo weinig zegt? Weet u waarom ik dit zo vraag? Omdat die broeders en zusters, waarover ik het hierboven had, dáár ten diepste hun probleem zien liggen. Ze kennen geen „uit-de-goot-bekering” of een „Paulusbekering” en dus hebben ze niks.
David was maar een gewoon verbondskind in Israël, dat door vader Isaï in de kerk van de oude dag is opgegroeid. Ook aan David werd verteld over de grote daden van de Heere in de geschiedenis. Zó heeft David de Heere leren dienen en liefhebben. Het gaat over deze beiden in onze tekst.
Die liefde wordt steeds groter bij David. Hij kàn het niet voor zichzelf houden; hij móet er over spreken. Het is bij hem niet alleen: „waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over”, maar óók: „wiens brood men eet, diens Woord men spreekt”. Want David heeft het moeten leren om van genadebrood te leven (denk maar aan de toonbroden!). En dat moest hij iedere dag opnieuw leren. Dàt bepaalt ten diepste de majesteit van zijn lied, zijn gebed. Hij wil zingen van zijn Heiland, van Zijn liefde, wonderschoon.
Hij zègt het dan ook na die menigvuldige verlossingen: „Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte”. Ja, zegt u misschien, zó doe ik het ook wel eens in mijn leven. Zeggen dat ik de Heere zàl liefhebben, maar voordat het zover komt, is het alweer mis in mijn leven. Even wachten, alstublieft! We moeten David niet laten buikspreken! Als hij zegt: ik zàl, dan duidt dat op een voortzetting van wat er al is. Ik hèb de Heere hartelijk lief en ik zàl dat blijven doen. Dat liefhebben van David in heden en toekomst ligt verankerd in die laatste twee woorden van onze tekst: „mijn Sterkte”.
Het is ook opvallend dat David daar in het volgende vers uitgebreid op ingaat. Het is ook mooi zoals de berijmer van deze Psalm dat heeft opgepikt. Hij laat de inleiding van deze Psalm voor wat het is, en concentreert zich in de inleiding van de Psalm (de enige overigens, die een inleidend vers of voorzang heeft!) op onze tekst: „Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, o God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen. Mijn steenrots, burg en helper is de Heer, mijn God, mijn rots, mijn zaligheid en eer.” Hierin wordt direct aangesloten bij Davids uitbreiding van onze tekst.
Iemand schrijft over deze tekst: „Het is een spontane belijdenis die regelrecht uit het hart komt. Zoals twee verloofde jongeren het tegen elkaar kunnen zeggen: ‘Ik houd van je’. Dat is de taal van je hart. Eerst moet David kwijt hoeveel de Heere voor hem betekent. Pas daarna gaat hij Gods daden opsommen.” En over dat mijn Sterkte: „David belijdt Hem als zijn Sterkte. In deze belijdenis ligt tegelijk zijn eigen zwakheid verscholen. David was zelf niet tegen zijn vijanden opgewassen. Maar als een klein en zwak mensenkind heeft hij in God leren schuilen.” Dàt is het. En dat geldt vandaag nòg. In een andere psalm wordt op God een soortgelijk loflied gezongen: „God zij altoos op ‘t hoogst geprezen! Lof zij Gods goedertierenheid, Die nimmer mij heeft afgewezen, nòch mijn gebed gehoor ontzeid!” David heeft het begrepen: wie kan zingen van Gods goedheid, hééft genade ontvangen.
Dáárom kan hij de Heere zijn Sterkte, Steenrots, Burcht en Uithelper, de Rots, waarop hij betrouwt, zijn Schild, de Hoorn van zijn heil en zijn hoog Vertrek noemen. Want zònder deze God kan hij geen stap verder, is hij niets. Maar mèt Hem springt hij over een muur en loopt hij een bende storm.
David leerde klein te denken van zichzelf en zijn zonden, en groot te denken van een genadige God. Zó kreeg hij de verzekerdheid van het geloof, ziende op de beloften.
En hoe wist hij nu dat deze óók voor hèm waren? Uit maar één ding: dat hij de Heere hartelijk lief heeft. En daarin wordt hij bevestigd door ervan te zingen. Zingen, het is immers twee keer bidden!?
Zing dan van wie de Heere voor ú is en zeg het David na: Ik zal U hartelijk liefhebben! En de satan zal van u wijken.

© september 2003 ds. M. Kuiper