Make your own free website on Tripod.com
Het licht zien
Het licht zien

„In Uw licht zien wij het licht”,
Psalm 36:10

In de loop van de eeuwen hebben velen deze tekst gebruikt om vertrouwen in de Heere uit te spreken. Er zijn enkele universiteiten in wier logo deze tekst een prominente rol speelt of gespeeld heeft. Als het er nog is, mogen we daar dankbaar voor zijn, zolang het maar niet een vlag is die de lading niet meer dekt! Op het gebied van de wetenschap komen we de onwetenschappelijkste dingen tegen!
Onze tekst spreekt echter allereerst onszelf aan. En in het bijzonder de knecht van de Heere, David. Het is toch zijn psalm over de Levensbron, over de Heere, van Wie hij zijn leven afhankelijk weet. Hier spreekt een gelovige koning, die opkomt voor de eer van de Heere. De goddelozen, die overtreding op overtreding bedrijven, zijn niet de heidense volkeren rondom Israël, maar het zijn mensen, die deel van het verbondsvolk uitmaken. In hun handel en wandel rekenen ze echter niet met de Heere.
Het is in dàt verband dat hij zegt dat er geen vreze Gods voor hun ogen. Dat kan je van heidenvolkeren verwachten! Met bondelingen is dat anders. Deze afvallige bondelingen doen of de Heere niets ziet en nergens weet van heeft, of al hun gekonkel Hem ontgaat. Het gaat hier ook maar niet om impulsieve daden, zoals ook de zonden in het leven van David zelf zo vaak waren. De zonden zijn tot in de puntjes voorbereid. We lezen dat ze op hun bed het onrecht al liggen te bedenken, zoals een stelletje kwajongens zich kan afvragen wat ze nú weer een uit kunnen halen.
Door genade heeft David een góed zicht op deze goddelozen. Hoe zuiver worden ze beschreven in de verzen 3-5: „Want hij vleit zichzelf in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is. De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.” De goddeloze vindt zich dus een hele piet. Als zijn onrecht ontdekt wordt, is hij daarover erg goed te spreken: hij vleit zichzelf! Hij lacht om de Heere en Zijn dienst, maar evenzeer om mensen, die in Gods wegen gaan!
Nu zou men kunnen denken dat we hier met een stel boeven te doen hebben, zoals je die in elke samenleving tegenkomt. Daar lijkt het immers wel wat op als we lezen dat er uit hun mond slechts onrecht en bedrog komt. Je denkt dan onwillekeurig aan het geboefte dat onze steden en dorpen onveilig maakt.
Maar zíj zijn hier niet bedoeld! Nogmaals, het gaat hier om besneden Israelieten, verbondskinderen dus, mensen die naar de `kerkelijke' feesten komen en deelnemen aan de Grote Verzoendag; die horen spreken van het bloed van het verbond dat gestort wordt om weer met de Heere in het reine te komen. Ze zijn te vinden in de voorgestoelten van de samenkomsten van de gemeente.
Het gaat dus om kerkmensen van de oude dag. Er zullen vast wel gevallen bij geweest zijn, waar David dit niet achter hen gezocht zou hebben. De façade ziet er immers zo mooi uit! De taal klinkt zo bekend! Maar als je achter de gezichten en de woorden kijkt, borrelt de ongerechtigheid je als het ware tegemoet. Hij laat na te verstaan tot weldoen. Daar riep de hele oudtestamentische offerdienst toch ook toe op: „Heilig zult gij zijn, want Ik, de Heere, uw God, ben heilig!”? Hij stelt zich op een weg, die niet goed is. Hij hóórde toch wekelijks over deze weg, die heen wees naar het komen van de Heere Jezus Christus, de grote Zoon van David. Hij zou toch komen als de Weg, de Waarheid, het Leven? Het kwaad verwerpt hij niet, terwijl ook dàt op de çatechisatie' en in het `leerhuis' duidelijk als een noodzaak werd voorgehouden. De geloofsbelijdenis van Israël uit Deut. 6:4vv. kende hij op de punten van zijn vingers, maar hij handelde er niet naar!
Als David in deze Psalm over dit soort goddelozen in de kerk-van-toen spreekt, beseft hij maar al te goed hoe gemakkelijk het is dat ook hij in die goddeloosheid vervalt. Arglistig is immers het hart, ook van David. Hij toont dat hij zich in het licht van de Heere goed kent.
Daarom volgen er geen woorden van veroordeling, maar komt er een smeekgebed over de lippen, waarom de Heere om Zijn goedertierenheid wordt gesmeekt. Daartoe begint David met de Heere te prijzen voor Wie Hij is. Zijn goedertierenheid is hemelhoog; Zijn waarheid tot de wolkenboog; Zijn recht is als Gods bergen. Maar óók: Zijn oordelen zijn als een diep ravijn: wie er in valt, komt er voor altijd in om! En tòch is de Heere een Behouder voor mens en dier!
Hier valt te denken aan Ps. 121, waar de Heere als de Bewaarder van Israël wordt getekend. Waar dáár sprake is van Zijn schaduw aan onze rechterhand, wordt híer gesproken over de schaduw van Zijn vleugels. Hierin komt het beeld van de adelaar naar voren. Zij ondersteunt met haar machtige vlerken haar kroost, maar biedt tegelijk bescherming tegen de hitte van de dag en tegen de dreigende vijanden.
We zien hier een duidelijke tegenstelling met de reeds besproken goddelozen in de kerk van de oude dag. Zij rekenden niet met de Here, terwijl dezen er juist hun afhankelijkheid van belijden. David rekent zichzelf tot de laatste groep. Hij wil tegen de hitte van de dag en de aanslagen van de vijanden toevlucht nemen bij de Heere.
Zo wordt nu ook de rijkdom getekend van de getrouwen in den lande. Zij schuilen niet alleen bij de Heere maar zij laven en voeden zich óók met Hem. Het is in het kader van deze overvloed dat onze tekstwoorden staan: „In Uw licht zien wij het licht”.
We begrijpen deze woorden pas goed als we ook de woorden, die er direct aan voorafgaan lezen: „Bij U, Heere, is de levensbron”. Bij de Heere alleen wordt de fontein van het leven gevonden. De goddelozen kunnen nu wel denken dat ze beter af zijn door `voor zichzelf te zorgen', maar het tegendeel is waar! Immers, dit leven gaat voorbij en daarna komt voor ieder het oordeel. En dan heeft allen hij en zij het blijvende leven, het eeuwige leven in zich, die in en uit de Heere leeft en weet verlost te zijn uit genade. Hoe kom je dat aan de weet? Alleen maar door te drinken uit die fontein, telkens weer, opdat Gods licht voor ons steeds duidelijker wordt. Zo is er bij Gods trouwe verbondskinderen sprake van een groeiproces, zoals immers ook in het natuurlijke leven het geval is.
Het licht zien is een voortdurend leven bij het Woord van de Heere. Dáárin openbaart Hij immers Zijn licht. Dat Woord spreekt van de Heere Jezus Christus, Die het Licht van deze wereld is en die reddend is verschenen.
Daarop mogen wij terugzien, maar David moest er nog naar uitzien. Daarom bidt hij ook of de Heere Zijn goedertierenheid wil uitstrekken over wie Hem kennen. Ze hebben het zo hard nodig. In de oude bedeling. Maar ook nu!
Want die goddelozen, waar David het over heeft, zitten vandaag nog steeds in de kerk. Mensen die in eigen kracht denken het te kunnen klaren en zich te kunnen bekeren en zalig te kunnen worden. Mensen, die toch ook wat verdienstelijks aan de Heere willen aanbieden. Mensen, die zeggen dat het allemaal best mee zal vallen. Het belangrijkste willen ze niet: sola gratia, alléén genade en niets van mij! Wordt toch wakker en zie het licht door te zien op de Christus! In Hem is er (eeuwig) leven en (een blijvende) toekomst.
Als we dat Licht hebben mogen zien en zo door de Heere gezegend zijn, laten we er toch voor oppassen ons op de borst te kloppen. Er is niets dat ik helemaal goed kan doen. Het blijft altijd een klein begin. Een gelovige leert steeds beter zijn tekorten zien en zijn ellende kennen. En krijgt dan ook de Heere Jezus steeds meer nodig, want in Zijn Licht zien zij het licht!                          © februari 2003  ds M. Kuiper