Make your own free website on Tripod.com
Een onverwachte reactie
Een onverwachte reactie
„En zij aanbaden Hem, en keerden weer
naar Jerusalem met grote blijdschap.
En zij waren allen tijd in de tempel,
lovende en dankende God”,
 Lucas 24:52,53
Afscheid nemen is een onaangename zaak. We zeggen het de Fransen (‘partir, c’est mourir une peu’) na, dat afscheid nemen eigenlijk een beetje sterven is. Je merkt dat als je eens op Schiphol door de vertrekhal loopt. Rijkelijk vloeien de tranen als er afscheid genomen wordt van geliefden, die met het vliegtuig mee gaan. Soms alleen maar voor een korte vakantie in een zonovergoten oord. Die tranen vertellen ons dan, dat er eigenlijk helemaal niets klopt van die zogenaamde mondigheid en zelfstandigheid van de moderne mens. Je zou immers, als nuchtere Fries, kunnen zeggen: die aanstellerij, over een paar weken zijn ze weer terug! En als je te maken krijgt met een jong gezin, dat gaat emigreren, dan zijn er toch altijd de mogelijkheden: de vliegtuigen vliegen af en aan. Inderdaad. Maar ten diepste zit er achter die tranen toch een stukje onzekerheid over het leven. Zíen we elkaar ooit weer? Ik geloof niet dat dit soort vragen wordt ingegeven door de gevaren in het verkeer, ‘ter land, ter zee en in de lucht’, door menselijk falen, of zo. Ten diepste zien we hier de greep, die de dood op ons menselijk leven heeft. Maar ook het wankele bestaan van de mens.
Wie in geloof de Heere Jezus als Borg heeft mogen omhelzen, is zich juist extra bewust van dat wankele. Dat betekent echter niet dat we elkaar voortdurend het ‘de dood wenkt ieder uur’ voor ogen moeten houden! We zijn niet herschapen om te sterven, maar om nu het beginsel van de eeuwige vreugde reeds in ons hart te gevoelen. Wèl plaatst het ons leven onder het Deo Volente – zo de Heere wil. Niet als een gemeenplaats, zoals dat zo vaak het geval is, maar als een levenswerkelijkheid. Daar moet je soms wel eens met de neus bovenop gedrukt worden, omdat je opgeslokt dreigt te worden door de bezigheden van het leven!
Voor het kind van God is afscheid nemen dan tòch ànders. Natuurlijk, wij zitten met al onze vezels aan het aardse bestaan en aan elkaar als geliefden vast. En het afscheid van geliefden moeten nemen, wordt dan ook niet, als ik het eens zo mag zeggen, ‘een fluitje van een cent’. De moeite blijft. En het verdriet. Maar het wordt wèl anders verdragen en verwerkt. Afscheid is voor Gods kinderen nimmer een beslissend einde, omdat we elkaar in de eeuwige heerlijkheid weer mogen zien. Maar afscheid kan wèl heel pijnlijk zijn als geliefden de Heere niet kennen. Dan kan het immers een eeuwig afscheid zijn!
Als de discipelen afscheid nemen van de Heere Jezus, Die ten hemel zal varen, is hun reactie vrij onverwacht. Vooral als we hun houding op en na de kruisiging in aanmerking nemen. Dáár vrees voor de joden en gesloten deuren. Dáár diepe verslagenheid en teleurstelling. Dáár ongeloof en diepe twijfel over de mededelingen van de vrouwen. Ze hadden toch zelf gezien dat de Heiland gevangen werd genomen. Had Petrus Hem zelfs niet in de rechtszaal gezien, even voordat hij Hem verloochende? Ach, er zou alle reden voor geweest zijn, als de Heiland Zich van hen had afgekeerd. Van hùn kant af hadden zij het alles verzondigd! Hoe slecht hadden ze naar Zijn prediking geluisterd! Hoe stak ook bij hen telkens opnieuw het eigenik zijn kop op! En tòch hebben ze Hem aangekleefd, toen Hij Zich in opstandingsglorie openbaarde. Hij had nader onderricht gegeven. Dat ging dieper dan vóór Zijn Borgwerk. Tóen konden ze niet meer dragen. Dat is nu anders! Hij had Petrus weer in zijn actieve ambtsdienst hersteld! Daarmee zijn de discipelen ‘afgestudeerd’ aan de theologische universiteit van Christus.
Nu moeten ze erop uit. Ze hebben bekwaammakende genade ontvangen. De Heilige Geest zal eerstdaags uitgestort worden. Dan zijn de velden wit om te oogsten. Dan zullen ze het ervaren dat de arbeiders weinige zijn bij zo’n grote oogst.
Maar zover is het nog niet. De Heere Jezus is opgevaren naar Zijn Vader. Hij heeft hen de zegen gegeven, voordat een wolk Hem aan hun ogen onttrok. Nu is alles ànders geworden in hun leven. Ze weten dat de Heiland al de dagen tot de voleinding der wereld met hen zal zijn. Maar Hij wil hèn in Zijn dienst gebruiken. En ze kunnen gáán. Met de Heiland. Geleid door Zijn Geest.
Daarom bevangt geen droefheid hun harten, als ze van de Olijfberg weer naar huis gaan. Ze zijn geen treurwilgen, maar leeuweriken in het Koninkrijk der hemelen. O, ze zijn nog niet vergeten wat er veertig dagen geleden is gebeurd! Maar het is vergeven en ze zijn toegerust. Daarom vervult blijdschap hun hart. De Heiland is naar Zijn Vader; zij mogen Zijn werk voortzetten. Wat een genade!
Daarom is er bij hen aanbidding. U moet er eens op letten, wanneer zij de Heere Jezus aanbidden. Ze doen dat niet als ze weer thuis zijn en alles wat er gebeurd is nog eens op een rijtje hebben gezet. Nee, ze doen dat als Hij zegenend van hen scheidt. Wat een heilige ogenblikken zijn dat! U moet dat eens voor u zien: de Heiland met uitgebreide handen, terwijl Hij zegenend ten hemel vaart, aan de ene kant, en Zijn kleine kerk, die op aarde achterblijft in wonderlijke aanbidding van deze geliefde Bruidegom! De lofzang wordt gaande gehouden, en dàt als de Heiland lichamelijk van de Zijnen scheidt. Immers, ‘naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons’ (Heid. Cat, antw. 47). Zó mogen zij Hem aanbidden. Dat ontbreekt er nogal eens aan in de kerk! Hoogstens komt dat in ons lied tot uitdrukking. Dan vraag je je nog wel eens af, of we er wel helemaal met onze gedachten bij zijn. In ons gebed ontbreekt de aanbidding maar al te vaak; het is een vragenlijstje geworden. Daarmee wordt de majesteit Gods miskend. De discipelen hadden het beter begrepen. De opgevaren Heiland is onze Voorspraak bij de Vader en dat brengt bij het de ‘halleluja’s’ boven! Deze Middelaar tussen God en mensen aanbidden zij, omdat Hij in hun plaats is gaan staan. Niet alleen toen Hij als Borg voor hen leed en stierf, maar óók bij Zijn Vader. Hij staat als onze Advocaat tussen de Heere en de zondige discipelen in. Hij pleit voor hen. Dat doet hen aanbidden.
Maar er is méér. Als ze weer teruggekomen zijn in de stad, gaat niet elk zijns weegs, maar gaan ze samen naar de kerk. We lezen immers dat zij allen tijd in de tempel waren? Is dat niet vreemd? De tempeldienst was toch overbodig geworden? Het voorhangsel was immers door God Zelf gescheurd? De tempelleiding had immers de Christus Gods veroordeeld en zo bloed aan hun ambtshanden gekregen? Wat zòòchten ze er nog?
Ja, wàt zoeken ze eigenlijk nog in de tempel? Níets! Ze wisten wel dat de offers nu overbodig waren geworden, nu het Lam geslacht was. Ze zochten er geen ‘wat’, maar ‘Wie’. Het ging hen om de Heere Zèlf. Zo lang de tempelstenen nog op elkaar lagen, bléven ze de ontmoeting met de Heere in de tempel zoeken. En ìn die ontmoeting ook de gemeenschap met andere gelovigen. Oók na pinksteren blijven ze dat doen, zolang het hen niet onmogelijk wordt gemaakt. Ze zoeken de synagogen op, waar de Christus in het gewaad der (oudtestamentische) Schriften tot de aanwezigen kwam, waar de Heere door Zijn Geest werkte, waar Hij geloofd en gedankt werd.
Ziet u, dáár heeft u nu precies waar het om gaat. Onze tekst eindigt daarmee: de discipelen loven en danken God. Dat doen ze op de plaats waar de Heere te vinden is: in de tempel. Loven en danken is iets, dat weleens naar de achtergrond verdwijnt in onze geloofsbeleving. We zijn meer bezig met onszelf en onze zaligheid dan met God en Zijn eer. We maken meer drukte over onze geloofszekerheid (of gebrek daaraan) dan over de lof Gods. Terwijl we toch in ons geloof bevestigd worden in de weg van het grootmaken van de Naam des Heeren. Hij, Die troont op de lofzangen van Zijn volk, is het, Die in deze weg ook de zekerheid wil bewerken.
Trouwens, het kàn ook niet anders, wil het goed zijn. Wie komt tot het aanbidden van de Heere Jezus, kàn niet anders dat Zijn Vader loven en danken! Het aanbidden van de Heiland is immers een zaak van geloof, en wie gelooft, hééft vrede met God; voor zo iemand ìs er een verzoend God, Die dit alles in ons gewerkt heeft om Zijns Zelfs wil!
Daarom moeten we in de kerk ervoor oppassen dat we het loven en danken niet in een schema inpassen. Ik ken evangelische gemeenten, die eerst een aantal lofliederen zingen. De bedoeling is best: de lof des Heeren betáámt ons. Zo zou héél het leven een lofzang moeten zijn. Maar dan niet ingepakt in bepaalde delen van ons leven. Dan plegen we geestelijke zelfmoord, wordt de onwaarachtigheid gevoed. De lofzang moet geléérd worden. Zó is de prediking zangles voor Gods volk. Deze zangles hebben we ons leven lang nodig, om zuiver ingestemd te raken op de zang van de engelen.
Hoe ver bent ú gevorderd met de lofzang?
M. Kuiper